'Onder het zilver van de Waal', gedicht voor Nijmegenaren
Van onze redactie
19 september 2026
Piter Arrian komt uit Iran en behaalde een master in sociologie en een bachelor in theologie. Hij werkte als cultureel adviseur bij een ambassade en wijdde zich daarnaast aan dichten en schrijven. Twaalf van zijn boeken zijn in Iran verschenen, voornamelijk kinderboeken die de verbeelding van jonge lezers stimuleren. Met zijn werk wil hij bruggen slaan tussen culturen en kinderen uitnodigen om de wereld met nieuwsgierige ogen te ontdekken. Vorig jaar verscheen het verhaal De Witte Kraai in drie talen: Nederlands, Engels en Perzisch.
Het volgende gedicht draagt Piter met alle warmte aan de Nijmegenaar op.
Piter: "Ik hoop dat het u een klein moment van schoonheid en bezinning mag schenken."
--------------------------
Onder het zilver van de Waal
Nijmegen
laat zich niet vangen.
De stad
begint niet.
Ze ligt onder ons:
steen onder steen,
naam onder naam,
eeuw onder eeuw.
Noviomagus.
Een oud woord,
nog nat van water.
Eeuw na eeuw
schuift het licht
over de Waal.
Boven de Lentloper
snijden zwaluwen
door het licht.
Honderdduizend voeten
weven Nijmegen
in licht.
De stad krijgt
duizend gezichten
en laat ze gaan.
Nijmegen —
nieuwe mond,
oude grond.
De Waal
stroomt niet door de stad.
De Waal denkt haar.
Hij slijpt de oever,
schuurt steen
tot steen.
Jaren verdwijnen
in het water.
Water weet
wat steen vergeet.
Onder het zilver
van de Waal
wordt Nijmegen
even woordeloos.
Op het perron
wacht iemand.
Geen adres.
Geen aankomst.
Alleen wachten.
Een trein
snijdt de avond open.
Licht.
Deuren.
Voetstappen.
Dan stilte.
Ik zie je niet.
Een raam wordt donker.
Regen schrijft
zijn dunne schrift
op het glas.
De stad verschuift
in één ademtocht.
Een gezicht
verdwijnt achter glas,
achter staal,
achter de avond.
Wat ik niet zie,
blijft bewegen.
Iemand zegt mijn naam.
Mijn naam
klinkt vreemd
in een andere mond.
De stenen zwijgen.
Ze zijn oud
van alles
wat voorbijging.
Romeinse voet.
Gebed in steen.
Alles zakt.
Alles zingt
ondergronds.
Onder het Valkhof
ligt geen verleden.
Er ligt een diepte
die niet voorbijgaat.
Een muur wordt aarde.
Aarde wordt straat.
Straat wordt voet.
Voet wordt lichaam.
En het lichaam
loopt verder.
Zo bouwt Nijmegen
boven zichzelf:
laag na laag,
dag na dag,
nooit af,
nooit stil.
En liefde —
een hand
op een schouder.
Je zegt mijn naam.
Ik wil je vasthouden,
maar tussen onze handen
glijdt het licht
naar de Waal.
Geen spoor.
Alleen warmte
waar een lichaam was.
Zoals water
een steen raakt
tot hij van vorm verandert,
zo raakt liefde
een mens aan.
Niet om hem te bewaren,
maar om hem
anders achter te laten.
Zo doet tijd
met een stad.
Zo doet de Waal
met Nijmegen.
Niet meenemen.
Veranderen.
Tegen de avond
draagt de Waal
het laatste licht.
Onder het zilver
van het water
worden namen klein.
Aan de overkant
gaat één raam aan.
Dan nog één.
Dan honderd.
Nijmegen ademt.
Ik kijk.
Of kijkt het water
door mij?
De blik glijdt
over het water,
raakt een raam,
verliest een gezicht,
en blijft.
De Waal
blijft stromen.
Nijmegen
blijft ademen.
Liefde
verandert van vorm.
Wij
gaan voorbij.
Maar iets
gaat verder.
Niet als herinnering.
Niet als naam.
Als beweging.
Nijmegen.
Noviomagus.
Oude grond.
Nieuw licht.
En onder alles:
de Waal.
Zilver op water.
Water in steen.
Steen onder ons.
En iets
dat verdergaat
zonder naam.
Piter Arrian
26 augustus 2026
Dit bericht delen: